PDF Afdrukken E-mail

Onderwijs in Mali

Met het onderwijs is het in Mali droevig gesteld. In 1995 was van de mannen 60,6% analfabeet en van de vrouwen 76,9%. Van de kinderen die school zouden moeten volgen gaat maar ca. 25% daadwerkelijk iedere dag naar school. Ca. 7% van de kinderen die basisonderwijs volgen gaat daarna voortgezet onderwijs volgen. In 1997/98 waren er 2511 basisscholen met 10.583 onderwijzers en ca. 860.000 leerlingen. In datzelfde schooljaar volgden ca. 188.000 voortgezet onderwijs. Hoger beroepsopleidingen zijn alleen in Bamako te volgen. In november 1996 opende de eerste universiteit van Mali haar deuren: de Lúniversité du Mali.

De ontwikkeling van de onderwijssector van Mali is gebaseerd op het tienjarenplan genaamd Programme Décennal de Développement de l’Education (2001-2011) dat in 2000 door de regering werd goedgekeurd. De overheid en de donoren samen stelden zich garant voor de financiering van de eerste fase van het plan, PISE I, een investeringsprogramma dat zich alleen richtte op het basisonderwijs. Toegang tot basisonderwijs is één van de Millennium Doelstellingen die de ontwikkelingslanden en de donoren samen nastreven om te zorgen dat alle kinderen, jongens en meisjes, uiterlijk in 2015 evenveel kans hebben om de basisschool af te maken.

Mali heeft vooruitgang geboekt met het aantal kinderen dat naar school gaat sinds de start van het ontwikkelingsplan in 2001. In 2002 ging gemiddeld 56,4% van de meisjes en 77,9 % van de jongens naar de lagere school (Gross Enrolment Rate) en deze cijfers stegen in 2008 naar 70,7% voor meisjes en 89,5% voor jongens. Het percentage kinderen dat 6 jaar lagere school afmaakt, lag in 2004 gemiddeld nog op 41,6% en in 2008 op 54% (meisjes 44,8%, jongens 63,5%). Ook het percentage zittenblijvers verbeterde van 19% in 2004 naar 14,2% in 2008 (bijna geen verschil tussen jongens en meisjes).

Over het algemeen is er dus sprake van een verbetering, maar maakt 46% van de kinderen de eerste 6 jaar niet af. Het probleem van uitvallers wordt aan de ene kant veroorzaakt door de kwaliteit van het onderwijs en aan de andere kant door het armoedeprobleem aangezien ouders hun kinderen (vooral meisjes) van school halen om mee te werken voor het gezinsinkomen. Kinderarbeid blijkt dus een belemmering om de Millennium doelstelling voor onderwijs te realiseren. Zolang ouders afhankelijk blijven van de inkomsten van kinderarbeid, valt dit moeilijk op te lossen.